Gletsjers hebben een grote invloed gehad op het Alpengebergte.
Eerst een samenvatting hoe het gebergte, de Alpen, is ontstaan. 110 miljoen jaar geleden begon de vorming van de Alpen als gevolg van platentektoniek. Continenten "drijven" versimpeld gezegd op een vloeibare ondergrond in de aarde. De continenten zijn niet een statisch geheel, maar bewegen van elkaar af of naar elkaar toe. In het geval van de Alpen, bewegen de Afrikaanse plaat en de Euraziatische plaat naar elkaar toe. Het stuk waarop Italië ligt botst op de Euraziatische plaat met als gevolg, een soort kreukelzone van het aardoppervlak: er wordt een gebergte gevormd. Dit proces gebeurde in een aantal fases, waarbij delen werden opgestuwd en ook delen, soms tijdelijk, naar beneden werden gedrukt. De lage delen vulden zich met zeeën, waarin dikke kalkpaketten werden afgezet. De kalkpakketen maken nu vooral deel uit van de noord- en zuidkant van de Alpen, bijvoorbeeld de Jura en de Dolomieten. Gedeelten van het centrale deel van de Alpen, zijn soms na opheffing weer ver naar beneden gedrukt en als het ware dubbelgevouwen. Onder hoge druk en hoge temperatuur vond een verandering in het gesteente plaats. Deze metamorfe gesteenten zijn tijdens de gebergtevorming soms weer naar boven gedrukt, waardoor ze nu aan de oppervlakte liggen. Het proces van gebergtevorming vindt nog steeds plaats, in de omgeving van het Oberinntal schijnt de opheffing zo'n 2 mm per jaar te zijn.
Maar nu over de gletsjers. Het huidige reliëf van de Alpen, met bergketens en dalen is grotendeels door werking van gletsjerijs ontstaan. Vanaf 2,5 miljoen jaar geleden zijn er afwisselend lange koudere en korte warmere perioden geweest. In de koude perioden vormde zich door van ophopende sneeuwlagen na verloop van tijd gletsjerijs dat zich uiteindelijk zover uitbreidde dat nagenoeg de gehele Alpen met een ijskap bedekt was. Een van de belangrijkste oorzaken van de afwisselende koude en warme perioden is beschreven als de zgn. Milanković-cycli, waarbij
- de schuinte van de stand van de as waarom de aarde draait,
- de mate van de eliptische vorm van de baan van de aarde om de zon,
- en de afstand van de aarde tot de zon
cruciaal zijn. Het al dan niet ongunstig of gunstig samenvallen van deze parameters zijn bepalend voor de gemiddelde temperatuur op bepaalde delen van de aarde. Vooral de noordelijke en zuidelijke delen van de aarde, de polen, zijn gevoelig voor deze veranderingen omdat de zon het aardoppervlak hier minder intensief verwarmd.
De uiterste begrenzing van het ijs in de drie laatste ijstijden. Bron: Wikipedia, naar Rudolf Hohl (Hrsg.), Die Entwicklungsgeschichte der Erde.
Lengte van 6 verschillende gletsjerstromen gedurende de Würmijstijd. i-j Inngletsjer. Bron: Modelling last glacial cycle ice dynamics in the Alps, Julien Seguinot et al., 2018.
Naar schatting zijn er in de laatste 2,5 miljoen jaar in de Alpen 15 tot 20 ijstijdcycli geweest waarbij de koude fasen veel langer waren dan de warme interglaciale perioden. Van oudere cycli zijn weinig sporen traceerbaar. Alleen van de laatste vier (vernoemd naar rivieren waarbij sporen van die ijstijden zijn gedocumenteerd), Günz-, Mindel-, Riss- en Würm-ijstijd, is meer bekend. De grens van de maximale uitbreiding van het ijs ontloopt elkaar niet zo heel veel, aan de noordkant van de Alpen bereikte het ijs het voorland van de Alpen, bijvoorbeeld tot dichtbij München in Duitsland. Het ijs baande zich een weg als gletsjerstromen en sleet door de schurende werking van mee getransporteerd gesteentepuin dalen uit.
De langste ijsstroom was de Inngletsjer, op zijn hoogtepunt in het Würmglaciaal meer dan 300km lang. Alleen de toppen van de hoogste bergketens staken boven het ijs uit. Het ijsoppervlak van de Inngletscher lag tussen de 3000 m (oorsprong bij St. Moritz) en 600 m (gletsjertong bij München) boven het huidige zeenivo. In het Oberinntal lag het ijsoppervlak op ongeveer 2400 m; de gletsjerdikte moet toen wel zo'n 1600 m. dik zijn geweest.
Overigens is de mate van ijsbedekking in de ijstijden steeds zeer wisselend geweest. Weliswaar bleef een groot deel van het gebergte met gletsjerijs bedekt, maar er waren talloze uitbreiding en terugtrekkings fasen. Op een video gemaakt door de ETHZürich, waarin onderzoeksgegevens in 2018 zijn gemodelleerd, is mooi te zien hoe variabel de ijsbedekking in de Würmijstijd moet zijn geweest.
Reconstructie van het temperatuurverloop in de laatste 5 miljoen jaar, naar onderen inzoomend op het einde van de Würmijstijd en het huidige interglaciaal. Bron: M. Meschede, 2015, Geologie Deutschlands.
Het stroomgebied van de Inngletsjer in de verijsde Alpen op het hoogtepunt van de ijsbedekkinig in de Würmijstijd. Bron: Geosphere Vergletscherung und Landschaften der Ostalpen in der Würm-Eiszeit
Uit de reconstructie van het temperatuurverloop in West Europa blijkt dat het einde van de Würm-ijstijd vrij abrupt heeft plaatsgevonden en dat de gemiddelde temperatuur regelmatig boven die van het huidige millenium uitkwam. De grote ijstijdgletsjers verdwenen. Vooral de eerste 4000 jaar van het Holoceen waren warm.
Recent onderzoek (Bohleber et al., 2020) heeft uitgewezen dat alleen rond bergketens en toppen boven 4000 m gletscherijs kon blijven bestaan. Dus de gehele Oost Alpen waren in die tijd ijsvrij. Vanaf 6000 jaar geleden begonnen hier opnieuw gletsjers te ontstaan, zo is het oudste ijs op de Weissseespitze (3518 m) aan het einde van het Kaunertal gedateerd op 5900 jaar. Tegelijkertijd kwam naar voren dat de ijslaag op de top bijzonder snel smelt: „Die Geschwindigkeit, mit der die Gletscher derzeit zurückgehen, ist dramatisch„, zegt Bohleber. „Der Gipfelgletscher der Weißseespitze, der sich über fast 6.000 Jahre hinweg akkumuliert hat, könnte innerhalb der nächsten beiden Jahrzehnte verschwinden.“ (Scientific Reports, 2020; doi: 10.1038/s41598-020-77518-9).
Weissseespitze in 2023 met de tot skigebied gepromoveerde Weissseeferner
Het Kaunertal als typisch voorbeeld van een "Trogtal", een U-vormig dal uitgesleten door de erosieve werking van gletsjerijs in de ijstijden.
De gevolgen van die vele ijstijden, de vele duizenden jaren werking van slijpende en brekende krachten van miljoenen tonnen ijs en afwisselend smeltend en aanvriezend water is bijzonder indrukwekkend. De contrasten en afwisseling in klimaat, begroeiing en dierenleven die de hoogteverschillen met zich meebrengen, geven de Alpen een grote aantrekkingskracht voor natuurliefhebbers.
De dalen in de Oberinntal regio kunnen gemakkelijk als Trogtal herkend worden. Het hoofdal heeft ook Trogschultern zoals op onderstaande figuur aangegeven ("schouders", soms alleen aan één kant van het dal goed herkenbaar) zoals de plekken waar Fliess, Ladis, Fiss en Serfaus liggen en in het Unterengadin bijvoorbeeld Ftan en Sent. Het ontstaan van de schouders heeft te maken met de minder lange tijd dat het ijs hier invloed heeft gehad. Daarnaast is het ijspakket in het midden van het dal altijd dikker geweest; de druk op de dalondergrond was daardoor groter en de erosiekracht sterker.
Doorsnede van een u-vormig Trogtal. Bron: https://www.raonline.ch/pages/edu/nat/glacier03a2.html
Reactie plaatsen
Reacties
Geweldig informatief 🪻🍀