Neolitische revolutie
Het Alpenlandschap zoals we dat nu kennen, is door mensen al eeuwen beïnvloed. Net als bij "ons" in Nederland was het landschap in Tirol tot 7500 jaar geleden vooral begroeid met bos. Er leefden mensen als jagers en verzamelaars; het gebergte was dunbevolkt.
De zogenaamde Neolitische Revolutie in Mesopotamië, waarbij rondtrekkende bevolking overging op landbouw en veeteelt vanaf een meer vaste woonplaats, begon 10.000 jaar geleden een opmars naar/in Europa en bereikte 7500 jaar geleden de Alpen. In de vlakke delen van de dalen maakte bos plaats voor akker en weide; de jagers/verzamelaars werden boer en boerin.
De veranderde leefwijze was een succes, de bevolking breidde zich uit waardoor meer akker- en weidegrond nodig was om alle monden te voeden. Akkers werden daarom ook ontgonnen op de wat steilere hellingen. Om te voorkomen dat de akkergrond wegspoelde werden terrasvormige percelen aangelegd die nog steeds op veel plekken in het Oberinntal/Engadin te zien zijn. De toenmalige bevolking, de Räter, nam in de loop der eeuwen verder toe. Het berglandschap zorgde ervoor dat men inventief met de weinig beschikbare, bewerkbare grond om moest gaan, om genoeg voedsel te produceren om te overleven. Daardoor moesten boeren gebruik maken van alle geschikte grond op verschillende hoogtes. De Dreistufenwirtschaft zorgde ervoor dat er genoeg voedsel was om het jaar door te komen.
Dreistufenwirtschaft
In de Dreistufenwirtschaft, of in goed Nederlands bergweidecultuur (letterlijk: drie stappen landbouw), kende de landbouw een vaste plaats in het landschap: de akkers op de vlakkere delen in de dalen en aangelegde terrassen op de hellingen. Om maximaal gebruik te maken van wat het landschap te bieden had, werd het vee in het voorjaar van stal gehaald en dicht bij de boerderij geweid (stap 1). Gedurende de voorzomer werd het vee naar hoger op de helling gelegen zgn. tussenweiden (Vorsäss) verplaatst (stap 2). Vanaf half juni tot in september verbleef het vee op bergweiden (Alm, Alp) tussen ongeveer 1800 tot 2400 m hoogte (stap3). In deze tijd werd ook het hooi gewonnen om de levende have de winter door eten te kunnen geven. Al naar gelang van de lokale situatie, werd het vee traditoneel in september van de Almen of Vorsäss (die soms weer als tussenstap gebruikt werd) feestelijk versierd in een Almabtrieb terug naar het dorp gehaald. Daar werd zo mogelijk het grasland nog kort nageweidt om daarna in de stal te overwinteren.
De akkers zijn grotendeels verdwenen, import maakt dat elders verbouwd graan veel goedkoper is. De Dreistufenwirtschaft wordt in het Oberinntal (al dan niet met verblijf op tussenweiden) nog steeds toegepast, al zijn de werkzame almen in de loop de jaren wel in aantal afgenomen.
Een Alm voor elk soort vee
Van oudsher werd het vee op soort gescheiden en op verschillende almen gedreven, op zich logisch, bijv. melkkoeien hebben een veel intensievere en ook andere verzorging nodig als schapen en geiten. Zo had je almen voor melkvee, stieren/ossen, jongvee, schapen en geiten, paarden, soms ook gecombineerd. In principe waren de almrechten voor de boeren van een dorp wettelijk vastgelegd, het kwam/komt ook voor dat dieren van verschillende dorpen op één alm verbleven, samen de aangewezen/aangetrokken verzorgers. Tegenwoordig worden almen vaak verpacht, waarbij afspraken gemaakt met boeren over de vergoeding van verzorging en de eventuele verdeling van de opbrengsten (melk, kaas).
Voor het idee "hoe en wat, waar" volgt hieronder een opsomming van de gebruikte almen en hun dierbevolking in het Kaunertal in de vijftiger jaren van de twintigste eeuw. De tabel is overgenomen uit het verslag van een antropologische studie: Social Development of a Tyrolean Village, R. en F. Naroll, 1962.
Opvallend is dat ook dorpen in het hoofddal (Prutz, Faggen, Ried, Tösens) gebruik maakten van de Almen. Vóór de vijftiger jaren weidden zelfs de aan de overkant van het Oberinntal gelegen dorpen Ladis en Fiss (vandaar de naam Fissladalm) vee in het Kaunertal.
Het Kaunertal werd pas vanaf de 15e eeuw permanent bewoond. Lang daarvoor weidden genoemde omliggende dorpen hun vee in de zomer in het dal. Daarom lijkt het een ratjetoe, maar het complexe almgebruik stamt dus van eeuwen geleden verkregen rechten.
Sinds de weergegeven opsomming uit de vijtiger jaren is het grootste deel van de Birgalm onder de Gepatsch Stausee verdwenen. Er worden echter nog steeds dieren van verschillende Oberinntaler gemeenten in het achterste deel van het Kaunertal geweid.
Het gebruik van de Almen in het Kaunertal rond 1956.
Een actuele Milchalm (de melk gaat naar het dal) in het Kaunertal is de Gepatschalm, daarnaast wordt op de Nassereinalm ook kaas gemaakt (Sennalm).
Verder naar het noorden bij Kaunerberg en Fliess zijn de Falkaunsalm, Aifneralm en Gogles Alm werkzame Sennalmen waar in het seizoen kaas gekocht kan worden. Daarnaast bestaat de Almwirtschaft hier uit het serveren van eenvoudige maaltijden.
Een Almmarende (een soort Super-Brot-Mahlzeit), waar lokaal gemaakte kaas, worst en schnaps gepresenteerd worden.
Reactie plaatsen
Reacties